Een van de oudste regels in beleggen luidt: leg niet al je eieren in één mandje. Het klinkt als een open deur. In de praktijk is het de regel die het vaakst wordt overtreden — meestal door beleggers die er heilig in geloven dat zij nu juist het ene aandeel hebben gevonden waar dit niet voor geldt.
Spreiding is geen teken van onzekerheid of voorzichtigheid uit angst. Het is een logische reactie op een feit dat niemand kan ontkennen: je weet niet welk bedrijf het over twintig jaar nog goed doet, en welk bedrijf in stille pijn verdwenen is.
4 procent is alles
Onderzoek door Hendrik Bessembinder, hoogleraar aan Arizona State University, heeft over decennia gekeken naar alle Amerikaanse aandelen sinds 1926. Zijn paper Do Stocks Outperform Treasury Bills? (Journal of Financial Economics, 2018) toont een even precieze als verbijsterende bevinding: ongeveer 4 procent van alle aandelen is verantwoordelijk voor vrijwel alle aandeelhouderswaarde die in die periode is gecreëerd. De overige 96 procent presteerde gemiddeld niet beter dan een staatslening. Latere internationale studies van dezelfde auteur (2023) bevestigen het patroon voor wereldwijde aandelen.
Belangrijk om te zien: deze 4 procent is achteraf vastgesteld. Bessembinder kijkt over een periode van bijna een eeuw en stelt achteraf vast welke bedrijven over hun volledige beursleven blijvende waarde hebben gecreëerd. Achteraf zijn die winnaars duidelijk. Vooraf niet.
Vooraf zien welke bedrijven de winnaars worden, is precies wat decennia van professionals niet structureel lukt. Achteraf is het glashelder. Vooraf is het giswerk dat soms goed uitpakt en vaak niet.
Dat is geen reden om dan maar niet te beleggen. Het is een reden om breed genoeg te beleggen dat je die 4 procent automatisch in handen hebt — ergens in de mix — zonder ze vooraf te hoeven aanwijzen.
Wat kan er met één bedrijf gebeuren
De gevaren die één bedrijf kan treffen, zijn talrijker dan de meeste beleggers zich realiseren.
| Soort gebeurtenis | Voorbeeld | Wat er gebeurt |
|---|---|---|
| Boekhoudschandaal | Wirecard (2020) | Aandeel naar nul in enkele dagen |
| Technologische disruptie | Kodak | Jarenlange neergang, geen herstel |
| Regulering | Tabaks- en gokbedrijven | Structurele waardedaling |
| Veranderend consumentengedrag | Warenhuizen | Decennia van krimp |
| Productprobleem | Boeing 737 MAX | Miljardenschade en imagoproblemen |
| Faillissement | Lehman Brothers | Aandeel waardeloos |
| Boekhoud- en vertrouwenscrisis | Imtech (2015) | Vertrouwen verdwijnt, financiering droogt op, aandeelhouderswaarde verdampt |
| Bank- en liquiditeitscrisis | Fortis (2008) | Een grote financiële instelling kan in korte tijd afhankelijk worden van overheidsingrijpen; aandeelhouders dragen zware schade |
Voorbeelden ter illustratie. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst.
Ook dicht bij huis waren de voorbeelden niet exotisch. Imtech was jarenlang een bekende Nederlandse naam. Fortis was een grote financiële instelling in Nederland en België. Juist zulke voorbeelden maken de les scherp: één beursbedrijf kan kwetsbaar zijn op manieren die je vooraf niet volledig ziet.
Geen van deze gebeurtenissen was vooraf met zekerheid te voorspellen. Wirecard werd door analisten geprezen tot kort voor het schandaal. Kodak was decennia het synoniem voor fotografie. Lehman Brothers was 158 jaar oud en stond bekend als rotsvast. Wie zijn hele vermogen in zo'n bedrijf had, is dat vermogen kwijt — niet door zijn eigen fout, maar door een gebeurtenis waar hij geen zicht op had.
Niet elk risico wordt beloond
Een aanname die in veel beginnerscursussen sluipt: meer risico nemen levert automatisch meer verwacht rendement op. Dat is niet helemaal hoe het werkt.
Een portefeuille met drie aandelen is risicovoller dan een portefeuille met honderd aandelen. Maar dat extra risico komt vooral uit concentratie. Eén fout bedrijf kan veel schade doen. Dat specifieke bedrijfsrisico kun je voor een groot deel verminderen door breder te spreiden. De markt hoeft je daar niet automatisch extra voor te belonen, omdat het een risico is dat je zelf had kunnen vermijden.
Brede marktrisico's worden historisch wel beloond. Wie meebeweegt met de aandelenmarkt — met de winsten én de dalingen — krijgt op lange termijn een hoger gemiddeld rendement dan wie spaart. Dat is de aandelenrisicopremie. Maar de premie zit in het marktrisico, niet in het concentratierisico.
Wie bewust minder spreidt, doet dat omdat hij denkt betere bedrijven te kunnen selecteren, winnaars langer te kunnen vasthouden of specifieke kansen beter te begrijpen. Dat kan rationeel zijn. Maar het is geen gratis extra rendement. Het is een actieve afwijking met een hogere lat.
Schijnbare spreiding is geen spreiding
Voordat we kijken naar hoe spreiding werkt, eerst een veelgemaakte fout: denken dat je gespreid bent terwijl je dat niet bent.
Wie tien Amerikaanse tech-aandelen bezit, heeft tien posities maar één concentratie. Een tegenvaller in de tech-sector raakt ze alle tien tegelijk. Wie drie ETF's heeft die alle drie zwaar wegen op Apple, Microsoft en NVIDIA — een wereld-ETF, een S&P 500 ETF en een tech-ETF — heeft drie producten maar een groot stuk overlap. De grootste bedrijven zitten in alle drie.
Spreiding over aantal posities is iets anders dan spreiding over werkelijk verschillende risico's. Wie twintig aandelen heeft die allemaal Nederlandse banken zijn, is niet gespreid maar geconcentreerd in één sector in één land. Wie vijf bedrijven heeft uit verschillende sectoren in verschillende werelddelen, is meer gespreid dan iemand met dertig bedrijven uit dezelfde sector.
De vraag is dus niet hoeveel posities heb ik, maar hoe verschillend zijn de risico's die ik draag?
Hoe spreiding werkt
Spreiding heeft drie dimensies.
Spreiding over bedrijven. Hoe meer bedrijven in je portefeuille, hoe minder gevoelig je bent voor het falen van één ervan. Bij vijf aandelen weegt elk 20 procent. Een Wirecard-scenario kost je dan 20 procent van je vermogen. Bij vijftig aandelen weegt elk 2 procent. Bij een wereldwijde ETF met duizenden bedrijven weegt elk een fractie van een procent.
| Portefeuille | Gewicht per positie | Eén positie halveert | Eén positie gaat naar nul |
|---|---|---|---|
| 5 gelijke aandelen | 20% | -10% portefeuille | -20% portefeuille |
| 20 gelijke aandelen | 5% | -2,5% portefeuille | -5% portefeuille |
| 50 gelijke aandelen | 2% | -1% portefeuille | -2% portefeuille |
Vereenvoudigd rekenvoorbeeld bij gelijke weging. Het zegt niets over toekomstig rendement, maar laat zien waarom specifiek bedrijfsrisico kleiner wordt naarmate één positie minder zwaar weegt.
Spreiding over sectoren. Sectoren maken eigen cycli door. Wat de tech-sector doet in een crisis is iets anders dan wat de farmasector doet. Wie zijn hele portefeuille in één sector heeft — hoe veelbelovend ook — heeft zijn lot gekoppeld aan die ene sector.
Spreiding over regio's. Een crisis in één land hoeft niet meteen een crisis in de hele wereld te zijn. Wie alleen in Nederlandse aandelen belegt, is afhankelijk van hoe het met Nederland gaat. Wie wereldwijd belegt, koopt blootstelling aan de wereldeconomie.
Voor veel beleggers is een brede wereldwijde ETF de eenvoudigste manier om deze drie dimensies van spreiding te benaderen. Een wereldwijd gespreide portefeuille blijft de referentie; een ETF is de praktische uitvoering ervan.
Waarom een ETF voor kleinere portefeuilles vrijwel altijd verstandig is
Voor wie €5.000, €25.000 of ruim daarboven belegt, is een brede wereldwijde ETF in praktisch elk opzicht voordeliger dan een eigen samengestelde portefeuille van losse aandelen.
Spreiding op een schaal die je zelf niet kunt nabootsen. Met €25.000 kun je in 20 of 30 bedrijven beleggen, maar nooit in duizenden. Een wereld-ETF geeft je dat in één aankoop, voor een fractie van de transactiekosten.
Lagere transactiekosten. Eén aankoop kost één keer transactiekosten. Twintig aankopen kosten twintig keer. Bij kleine bedragen telt dat snel op tot een aanzienlijk percentage van je inleg.
Geen onderzoekslast. Wie individuele aandelen kiest, hoort die bedrijven te kennen — wat ze doen, hoe ze geld verdienen, wat hun positie is. Dat vraagt tijd en kennis. Wie een wereld-ETF koopt, heeft die last niet — de markt regelt de selectie en herweging automatisch.
Geen herbalanceringsproblemen. Een portefeuille met twintig losse aandelen vraagt onderhoud. Een ETF doet dat zelf — bij elke wijziging in de index past de samenstelling van het fonds zich automatisch aan.
Lager risico op gedragsfouten. Met losse aandelen zie je elke individuele tegenvaller. Een bedrijf in je portefeuille dat 30 procent zakt, prikkelt sterker dan dezelfde tegenvaller verdund in duizenden bedrijven. Voor veel beleggers is een ETF eenvoudiger om vast te houden door dalingen heen.
Voor veel beginnende en kleinere beleggers is een brede ETF in de praktijk eenvoudiger, goedkoper, gespreider en minder foutgevoelig. Wie individuele aandelen kiest, doet dat omdat hij meer wil dan eenvoud — overtuiging in specifieke kwaliteitsbedrijven, dieper begrip van een sector, een actieve afwijking met onderbouwing. Dat is geen verkeerde keuze, maar wel een andere keuze, met een hogere lat aan kennis en tijd.
Hoeveel aandelen heb je nodig om gespreid te zijn
Voor wie via ETF's belegt: één brede wereldwijde ETF volstaat voor een ruime spreiding.
Voor wie zelf aandelen kiest, ligt het anders. Onderzoek (onder meer Statman, How Many Stocks Make a Diversified Portfolio?, 1987) laat zien dat de meeste sectorrisico verdwijnt vanaf ongeveer 15 tot 20 verschillende bedrijven, mits ze redelijk verdeeld zijn over sectoren en regio's. Met 30 of meer bedrijven nadert je portefeuille de spreidingsgraad van een brede index — al houd je dan altijd bedrijfsspecifiek risico voor wat het is.
Twintig of dertig aandelen klinkt als veel. In de praktijk is het overzichtelijk als je je portefeuille hebt opgebouwd uit bedrijven die je elk bewust hebt gekozen. Twintig bedrijven die je werkelijk volgt en begrijpt, levert meer inzicht op dan tachtig die je oppervlakkig bekijkt.
Wie minder dan tien individuele aandelen bezit, heeft een geconcentreerde portefeuille — waarbij elk bedrijf 10 procent of meer weegt. Daarbij hoort het risico dat één tegenvaller een groot deel van je vermogen raakt. Dat is geen fout, mits je dat bewust hebt gekozen en de positie kunt dragen. Het is wel een fout als je denkt dat je gespreid bent terwijl je dat niet bent.
Wie de academische onderbouwing wil lezen, vindt die in de verdiepingsartikelen over portefeuille-theorie, het Capital Asset Pricing Model en de scheve verdeling van aandelenrendementen.
Wat de meeste beleggers verkeerd begrijpen
Veel beleggers denken dat ze met spreiden hun rendement verlagen. Bessembinder laat iets anders zien: omdat een klein deel van de aandelen vrijwel alle waarde creëert, vergroot een geconcentreerde portefeuille de kans dat je de grote winnaars mist. Wie spreidt, bezit ze in elk geval ergens. Wie concentreert, wedt erop dat hij ze vooraf herkent.
De BTW-les
Spreiding is geen verzekering tegen verlies. Het is de erkenning dat je niet weet welke bedrijven het worden — en dat je breed genoeg moet zijn om de winnaars niet te missen, en gedisciplineerd genoeg om ze niet te vroeg te verkopen.
Cursus afgerond. Volgende cursus: 4 — De praktijk van beleggen.
Kennischeck
Kennischeck bij de Academy-les.
Test je kennis
Beantwoord 3 korte vragen om deze les af te ronden.
Je hebt minstens 3 goede antwoorden nodig.
