Beleggen brengt verlies met zich mee. Niet als uitzondering, maar als onderdeel van het normale verloop. Wie veertig jaar belegt, krijgt onderweg meerdere keren te maken met dalingen van 20 of 30 procent. Soms meer.
De vraag is niet of dat verlies komt. De vraag is of jij het kunt verdragen zonder iets te doen waar je later spijt van krijgt. Want het verlies zelf is meestal te overzien — wat het verlies aanricht, is wat jij in paniek doet.
Twee kanten van risico
Er is een verschil tussen risico kunnen dragen en risico willen dragen. Beide zijn belangrijk, en ze vallen niet altijd samen.
Risico kunnen dragen is een rekenkundige vraag. Hoeveel kun je verliezen zonder dat je leven onder druk komt? Iemand met €500.000 belegd en een goed inkomen kan een daling van 30 procent uitzitten zonder dat zijn dagelijks leven verandert. Iemand die alles wat hij heeft net heeft belegd om over vijf jaar een huis te kopen, kan dat niet.
Risico willen dragen is een psychologische vraag. Hoeveel kun je verliezen zonder dat je 's nachts wakker ligt en in paniek je portefeuille wilt verkopen? Twee mensen met identieke financiële situatie kunnen hier ver uit elkaar liggen. De ene haalt zijn schouders op bij een daling van 30 procent. De andere wordt onrustig bij 10 procent.
Een goed beleggingsplan houdt rekening met beide. Wie kan dragen wat hij niet wil dragen, verkoopt alsnog op het verkeerde moment. Wie wil dragen wat hij niet kan dragen, komt in financiële problemen. Het laagste van de twee bepaalt waar je grens ligt.
Denk in euro's, niet in procenten
Een daling van 30 procent klinkt overzichtelijk. Op papier. In de praktijk werkt het brein anders.
Wie €100.000 heeft belegd, ziet bij 30 procent daling €30.000 in rook opgaan. Dat is geen percentage meer. Dat is een nieuwe auto, een verbouwing, een jaar inkomen. Het cijfer dat je op de rekening ziet staan voelt heel anders dan het percentage dat je op papier had geaccepteerd.
Daarom helpt het om je risico van tevoren in euro's te denken. Niet kan ik 30 procent daling aan?, maar kan ik aan dat ik €30.000 zie verdampen — wetende dat het binnen drie of vijf jaar waarschijnlijk weer terug is, maar nu echt op rood staat?
Risico wordt pas echt als je het in euro's ziet
| Belegd vermogen | Daling 20% | Daling 30% | Daling 40% |
|---|---|---|---|
| €10.000 | €2.000 | €3.000 | €4.000 |
| €100.000 | €20.000 | €30.000 | €40.000 |
| €500.000 | €100.000 | €150.000 | €200.000 |
Rekenvoorbeeld. Een daling is geen voorspelling en geen garantie; het doel is om vooraf te zien welk bedrag je emotioneel en financieel moet kunnen dragen.
Wie die vraag eerlijk beantwoordt, krijgt een realistischer beeld dan wie alleen percentages bekijkt. Veel mensen ontdekken dat ze hun risicotolerantie hebben overschat zodra ze het in euro's uitschrijven.
Een eenvoudige test
Stel jezelf drie vragen, met je daadwerkelijke bedrag voor ogen.
Vraag 1. Stel: morgen daalt mijn portefeuille met 30 procent. Wat betekent dat in euro's? Schrijf het bedrag op.
Vraag 2. Als ik dat bedrag zie verdampen, wat is dan mijn eerste impuls? Wachten? Verkopen? Bijkopen? Niet kunnen slapen?
Vraag 3. Wat zou er moeten gebeuren in de echte wereld voordat ik die impuls in actie omzet?
Als het antwoord op vraag 2 verkopen is en het antwoord op vraag 3 gewoon de daling zelf, dan zit je waarschijnlijk te risicovol belegd. Een portefeuille die je je in een crash niet kunt voorstellen vast te houden, is geen portefeuille die past bij jouw risicotolerantie — hoe rationeel hij op papier ook is.
Wat je doet als je merkt dat je grens lager ligt
Wie ontdekt dat zijn werkelijke risicotolerantie lager ligt dan zijn theoretische verdeling, heeft drie opties.
Optie 1: passen. Verlaag het aandeel risicovolle posities in je portefeuille. Een portefeuille van 50 procent aandelen en 50 procent obligaties schommelt typisch minder dan een portefeuille die volledig in aandelen zit. Je rendement op lange termijn ligt lager, maar de kans dat je vasthoudt is hoger — en vasthouden door dalingen heen is historisch belangrijker gebleken dan exact het juiste rendement najagen.
Optie 2: gewenning. Voor wie net begint, is een eerste daling vaak heviger dan latere dalingen. Het brein went aan koersbeweging zoals het went aan andere vormen van onzekerheid. Wie in een rustige periode een paar maanden de tijd neemt om met een kleinere positie te beginnen, kan zijn risico geleidelijk opbouwen naar wat werkelijk past.
Optie 3: structuur. Soms is het probleem niet dat je te veel risico neemt, maar dat je het te direct ziet. Wie elke dag op zijn rekening kijkt, ervaart elke beweging mee. Wie eens per kwartaal kijkt, ziet alleen de hoofdlijn. Voor sommigen verlaagt dat de gevoelde risicodruk zonder dat de portefeuille zelf hoeft te veranderen.
Niet alle risicotolerantie is een vaste eigenschap
Risicotolerantie verandert met de tijd. Wie veertig is en zijn baan stabiel heeft, kan meer risico dragen dan wie tweeënzestig is en bijna met pensioen. Maar ook binnen één levensfase verandert het. Wie net een huis heeft gekocht voelt zich kwetsbaarder. Wie net een erfenis heeft ontvangen voelt meer ruimte. Wie kinderen heeft denkt anders over verlies dan iemand zonder gezin.
Dat is geen reden om je portefeuille voortdurend om te gooien. Het is wel een reden om eens per jaar — bijvoorbeeld bij het herbalanceren — eerlijk de vraag te stellen of de verdeling die je drie jaar geleden hebt gemaakt nog past bij wie je nu bent.
Wat de meeste beleggers verkeerd begrijpen
Risicotolerantie wordt vaak getest met percentages: hoeveel verlies kun je accepteren? Maar het brein rekent niet in procenten — het rekent in concrete bedragen. Wie zijn risicotolerantie alleen op papier inschat, schat hem meestal te hoog in. De echte test komt pas als de cijfers in euro's op je scherm staan.
De BTW-les
Het beste beleggingsplan is niet het plan met het hoogste verwachte rendement. Het is het plan dat jij ook in slechte jaren volhoudt. Wie zichzelf eerlijk peilt voordat de daling komt, geeft zijn beleggingen de kans om hun werk te doen.
Kennischeck
Kennischeck bij de Academy-les.
Test je kennis
Beantwoord 3 korte vragen om deze les af te ronden.
Je hebt minstens 3 goede antwoorden nodig.
